- Home
- » Reorganisatie en sociale plannen
- » Reorganisatie in een levensmiddelenfabriek
Reorganisatie in een levensmiddelenfabriek |
| De situatie: In de levensmiddelenfabriek worden grondstoffen verwerkt tot haffabrikaten, geschikt voor de voedselindustrie. De onderneming is onderdeel van een wereldwijd voedselconcern. De concernleiding daarvan besluit alle handelsactiviteiten van Europese dochters te concentreren in Zwitserland. Van de levensmiddelenfabriek zal een flink aantal functionarissen worden overgeplaatst. De resterende onderdelen zullen verdergaan als toeleveringsbedrijf van de in Zwitserland gevestigde handelsmaatschappij. De directie vraagt de OR hiertoe om advies. De OR vraagt mij om begeleiding. |
| De aanpak: We vragen ons in de eerste plaats af of de voorgestelde reorganisatie nadelig is voor de Nederlandse onderneming. Behoudens enig licht verlies van werkgelegenheid, zien we dat niet. Vervolgens vragen we ons af welke voorwaarden we stellen aan de reorganisatie en welke garanties we vragen voor de medewerkers van wie de functie verhuist naar Zwitserland. Na enkele besprekingen met de werkgever verwerken we de gevraagde voorwaarden en garanties in een advies. De werkgever geeft de OR voor een flink deel wat deze vraagt, maar blijkt erg zenuwachtig omdat het woord “positief” niet in het advies voorkomt. Hij veronderstelt dat de OR in beroep kan gaan zolang deze geen “positief advies” heeft gegeven. Dat is niet zo, maar we zeggen vriendelijk dat we best het woord “positief” willen gebruiken als hij de OR nog wat verder tegemoet komt. En zo gebeurt het. |
| Mijn rol: Mijn rol bij de Levensmiddelenfabriek was met name ondersteunend: ik hielp de OR tot een afgewogen advies te komen. Een aantal keren vroeg de OR me om bij het overleg met de werkgever te komen en mee te praten. Op die momenten was mijn rol meer vertegenwoordigend.
|

